Steentijd-Bronstijd-IJzertijd


Onder voorgeschiedenis of prehistorie verstaan we de geschiedenis uit de tijd, waaruit géén schriftelijke mededelingen tot ons zijn gekomen. De tijd waaruit de oudste ons ter beschikking staande schriftelijke mededelingen stammen, is niet voor alle landen en streken gelijk. Waaruit volgt dat onze kennis van de historie - d.w.z. ons uit 'geschreven bronnen' geput wetren aangaande personen en feiten - voor verschillende gebieden een verschillend beginpunt heeft. Zo gaat de geschiedenis van Egypte en ook die van Mesopotamië terug tot ongeveer 3500 v. Chr.; die van Griekenland tot nauwelijks 1000 v. Chr.

Het voorhistorische tijdperk wordt onderscheiden in:

  • Het steentijdperk,
  • Het bronstijdperk,
  • Het ijzertijdperk.

Deze namen zijn ontleend aan het materiaal, waarvan uit die tijden door opgravingen teruggevonden gebruiksvoorwerpen zijn vervaardigd. Het ijzertijdperk sluit aan bij de historische tijd, d.w.z. de tijd waaruit we schriftelijke overlevering bezitten.

Bij de steentijd onderscheidt men:

  • een oudere steentijd: de stenen gebruiksvoorwerpen zijn slechts ruw bewerkt;

1. Voorwerpen van ruw bewerkte steen: speerpunt, zaag, bijl en guts. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 9


  • een jongere steentijd: de steen, waaruit de wapens en gereedschappen zijn vervaardigd, is geslepen, zelfs gepolijst en versierd.

2. Voorwwerpen van geslepen steen: handbijl, slingersteen en bijlhamer.

Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 10


Uit de steentijd dateren de hunebedden, die vrijwel door geheel Europa worden aangetroffen. Het waren van reusachtige zwerf-stenen gestapelde grafkamers, overdekt met een opgeworpen heuvel van aarde (zand, klei), die later begroeide. De aardheuvel is in de loop der eeuwen verdwenen, waardoor het steengraf bloot kwm te liggen. Plunderingen om de grafinhoud is niet onwaarschijnlijk.

Van het volk de hunebedbouwers is te weinig bekend, dan dat met zekerheid zou kunnen worden gezegd vanwaar het kwam en er van geworden is. Alleen van de ter aardebstelling der aanvoeders weten we iets af.

Gekleed in volle wapenuitrusting werd de overledene in de grote stenen grafkamer neergelegd op een vloer van kleine zwerfstenen. Gebruiksvoorwerpen, die hem tijdens zijn leven ten dienste hadden gestaan, zoals potten, kruiken en schalen werden bij hem neer-gezet. Deze waren met de hand gevormd en in open vuur gebakken. De versiering - geometrische punt- en lijnornamenten - werd ingestoken en ingekrast in de nog weke klei.

Vingerafdrukken die hier en daar nog zichtbaar zijn doen vermoeden, dat deze klei-arbeid door vrouwen werd verricht.


3. Hunebed bij Rolde. Stenen van meer dan 4000 kg. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 10


4. Hunebed D27 in Borger, het grootste hunebed van Nederland. Datering: 30 juni 2020. Foto: Richard Broekhuijzen - nl.wikipedia.org

Licentiestatus: CC BY-SA 4.0


5. Hunebed D19 nabij Drouwen. Datering: 11 mei 2008. Foto: Hunebed D19 nabij Drouwen - nl.wikipedia.org

Licentiestatus: Publiek domein


5. Plattegrond van een hunebed bij Drouwen. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 11


6. Aardewerk uit een hunebed. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 11


Het bronstijdperk rekent men voor Europa te lopen tot ongeveer 700 v. Chr. Uit de uit dit tijdperk opgegraven voorwerpen blijkt, dat de levenswijze van de Europa-bewoners verandering heeft ondergaan. Wapens en gebruiksvoorwerpen voldoen, wat vorm, bewerking en versiering betreft, aan hogere eisen.


7. Voorwerpen uit de Bronstijd. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 12


UIt het bronstijperk dateren de heuvelgraven met de dolmen, en de koepelgraven. 

Een dolmen bestaat uit twee opstaande stenen waarop een deksteen is gelegd. Het geheel heeft dus iets van een altaar. Dit zou erop kunnen wijzen, dat men verband legde tussen sterven en begraven enzrzijds en godsdienstige gevoelens en denkbeelden anderzijds.

Meer waarchijnlijk is dat de dolmen-opstelling diende om het lijk te beschermen tegen grondstorting en roofgedierte.

Het heuvelgraf met dolmen werd geheel met aarde afgedekt.


8. Heuvelgraf met dolmen. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 12


9. Koepelgraf. A. grafkuil, B. gewelf van stameinden. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 13


Deze grafbouw vindt men in lage, houtrijke landen. Doordat het houten gdewelf vrij spoedig verteerde, bleven slechts grafkuilen met skeletresten over.


10. Paalwoningen. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 13


11. Prehistorische paalwoningen in de Alpen. Deze reeks van 111 kleine individuele gebieden vormt het restant van prehistorische hei- of paalwoningnederzettingen in en rond de Alpen. De paalwoningen werden gebouwd in de periode van rond 5000 tot 500 voor Christus aan de randen van meren, rivieren of moerasgebieden. Opgravingen hebben inzicht gegeven in het leven in dit gebied tijdens de prehistorie en in de interactie tussen gemeenschappen en hun omgeving. 65 van de locaties bevinden zich in Zwitserland. De nederzettingen zijn een unieke groep van uitzonderlijk goed bewaard gebleven en cultureel rijke archeologische vindplaatsen. Ze vormen een van de belangrijkste bronnen voor de studie naar vroeg-agrarische samenlevingen in de regio.

Foto: Unesco - Nederlandse Commissie.


De bewoners van Europa leefden in het bronstijdperk van jacht en visserij. In lage en waterrijke streken bouwden zij hun woningen boven het water op palen. Stammen, takken en twijgen werden als bouwmateriaal gebruikt en klei als dichtingsmateriaal. Deze paalwoningen boden door hun standplaats beschutting tegen roofdieren, toen die talrijker waren dan de mensen. 

Zulk bouwen behoeft men niet te leren: de mens beschikt over een natuurlijke bekwaamheid, die hem in staat stelt een schuilplaats te vervaardigen, die bescherming biedt tegen weersinvloeden en aanvallen van buiten, waardoor zijn leven onaangenaam gemaakt of bedreigd zou kunnen worden.

De toenmalige bewoners van Europa waren Kelten, een volk van Indo-germaanse oorsprong. Van deze Keltren en met hen verwante volken, o.a. de Germanen, stamt de tegenwoordige bevolking van West-Europa - daarbij Groot-Brittannië en Ierland inbegrepen - af. In de noordelijke landen heeft zich het specifiek Keltische ornament blijvend gehandhaafd.


12. A. Keltisch vlechtornament. B. Runensteen. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 14.


13. Catalogusnummer: 55904. De voorzijde van de runensteen op het Domplein te Utrecht met vier regels in runenschrift en enige versieringen. N.B. Dit afgietsel van een runensteen werd op 22 juni 1936 door Deense vrienden van Nederland geschonken aan de Universiteit van Utrecht ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan. Datering: Tussen 01-01-1971 en 31-12-1971.
Vervaardiger: Gemeentearchief Utrecht, fotograaf - Het Utrechts Archief / hetutrechtsarchief.nl - Licentiestatus:  CC-BY-4.0 licentie


De hier afgebeelde runensteen, wordt zo genoemd naar de erop voorkomende lettertekens, zgn. runen. Hij is gevonden in Noor-wegen. Op het domplein in Utrecht bevindt zich een gertrouwe kopie van een runensteen.

Op het bronstijdperk volgt het ijzertijdperk, waarmee de tegenwoordige era maken en bouwen aanvangt.


14. Zwaarden en oorviersiering uit de Hallstadtperiode. Het lange zwaard heeft een gevest van ivoor.

Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 14.


Het ijzeretijdperk wordt onderverdeeld in:

  • De Hallstadtperiode, genoemd naar het plaatsje Hallstadt in Salzkammergut waar in tal van blootgelegde graven naast bronzen voor-werpen ook wapens en sieraden van ijzer werden gevonden, en de La Tène-periode, zo geheten naar een plaatsje aan het meer van Neuchâtel, waar men resten van paalwoningen ontdekte en ijzeren wapens en werktuigen vond.

15. Speerpunt en schaar uit de La Tène-periode. Bron: Geschiedenis der Bouwkunst - H. Sutterland - 1963 - blz. 15.


In deze tijd krijgt het ijzer betekenis als bouwmateriaal. Het voeret tot betere constructies.

De lijkverbranding kwam in zwang. De as werd in een urn verzameld en deze werd in een klein grafheuvel bijgezet. Een grafteken zal wel zijn aangebrachtm doch overblijfselen van zulke graftekens zijn niet gevonden.


Geraadpleegde bron: Geschiedenis der Bouwkunst - blz. 9 t/m 15 - H. Sutterland - 1963


Pagina bijgewerkt: 14 mei 2025